d-artagnan d-artagnan

REFLECTIES

 
HEERLIJK SCHAATSEN OF WANKELEN OP GLAD IJS
Repetities van No I be Yonder zijn gestart.

In ‘No I be Yonder’ gaat regisseur Geert Vaes fragmenten uit het klassieke theatercanon (Shakespeare, Oscar Wilde maar ook sprookjes als Alice in Wonderland) te lijf met de aan John Cage en het dadaïsme ontleende ‘cut-uptechniek’. In de cut-uptechniek verknippen kunstenaars bestaande tekstfragmenten op een willekeurige manier en ontwerpen van daaruit nieuwe bouwwerken van taal, die niet onmiddellijk beantwoorden aan de klassieke regels van zinsbouw en semantiek. Vaak worden de nieuwe gedichten ‘at random’ samengesteld, soms intentioneel en gekozen.

 
Toen de Roemeense dichter en essayist Tristan Tzara tijdens Dada-events in Parijs, kort na de Eerste Wereldoorlog, woorden uit een hoed haalde en die plechtig voordroeg, haalde hij daarmee de woede van het publiek op zijn hals. Toch waren die acts niet louter provocatief bedoeld. Vanuit het idee dat taal een vastgeroest systeem kan worden, een virus dat infecteert en zichzelf verspreidt, zocht de dadaïst naar een creatieve vluchtweg. Zonder te weten waar hij uit zou komen, sloeg hij een gat in de voorspelbaarheid en hoopte daarmee op verandering. 
 
Taal is een systeem, onlosmakelijk verbonden met andere systemen, in dit geval ‘ons denken’ wat dan weer bepaald wordt door de machtsstructuren waarin we opereren. Door tools als toeval en mogelijkheid tegenover planmatigheid en wet te zetten, spel en performance tegenover ernst en amusement, worden de systemen ontwricht, gedeconstrueerd, gesaboteerd, zo je wil. Dit alles gebeurt bij de dadaïsten niet met de woedende razernij of het cynisme van de revolutionair. Nee, de dadaist is dan wel op zoek naar iets bevrijdends maar hij doet dat als een een clown met een hoed, een gek met zelfspot, een sjamaan die bij nacht de deuren opent om iets van wildheid terug binnen te laten. Door de bestaande kaders los te laten hoopt de dadaïst ruimte te maken voor het ongerijmde en het creatieve. 

 
Anno 2010 is bijna ieder woord gesproken door een politicus, beroepsspreker of mediafanaat in hetzelfde bedje ziek. De woorden hebben hun glans en eerlijkheid verloren. Ze klinken hol en ingezet. Zelfs door de meest bedreven pamflettist gehanteerd, verwijst taal voortdurend alleen maar naar referentiekaders en dus naar zichzelf. De taal van reclame en politiek heeft een immense voorraad aan voorgekauwde zinnen opgeleverd die je nog het best kunt vergelijken met een gigantisch sluikstort. Dat bouwwerk door elkaar schudden, in de hoop onder dat schimmige weefsel weer iets van de oorspronkelijke schittering van het woord terug te vinden, is wat de dadaïsten bezighoudt. 

 Waarom zouden woorden immers alleen maar gedachten kunnen dienen? Waarom zou tekstmateriaal alleen maar op z’n semantische waarde beoordeeld kunnen worden? Alsof een woord alleen maar betekenis genereert in zinsverband en geen wereld an sich kan vertegenwoordigen. John Cage, Amerikaans avant gardecomponist (1912-1992), ijverde voor een autonomie van alle artistieke middelen die in stelling gebracht worden. Ieder element kan zijn eigen leven leiden, zijn eigen verhaal vertellen. Op die manier kan taal behandeld worden als plastisch materiaal. Met de braafheid om voortdurend binnen de voorgeschreven kaders te opereren moest komaf gemaakt worden in de hoop op iets nieuws te stoten, iets wat als wezenlijk en belangwekkend kon ervaren worden. Op zoek naar het plastische moesten zinnen ‘ont-zind’ worden in de hoop dat ze dan eindelijk weer ‘verzinnelijkten’. Dadaïsme is wel eens geopenbaard als een gewelddadige, mystieke beweging in de kunsten.  

Ook regisseur Geert Vaes heeft die ‘verzinnelijking’ op het oog, en vertrekt derhalve van een concertsetting: het theater als podium, met bruitagetafel en lichtinstallatie. En acteurs die als clowns of sjamanen snijden in het weefsel van hun tekstmateraal. 

 
Hoe makkelijk of moeilijk breekbaar is die laag beschaving die taal heet, hoe weerloos of bevrijd de mens in een wereld zonder zinsconstructies? Is het in een wereld waar de veilige bedding van de taal is weggeslagen heerlijk schaatsen of eerder wankelen op glad ijs?

Geert Vaes: ‘Misschien kom je in het beste geval wel ongemerkt in een soort ‘oervorm’ terecht; theater zoals het misschien ooit begonnen is, toen er alleen nog maar het koor was. De rationele wereld waarin we ons voortdurend bedienen van alle taalclichés zonder mekaar nog werkelijk van stuk te kunnen brengen, wordt omgespit in de hoop in dat irrationeel gebied terecht te komen...’

Piet Arfeuille

 

HONDSTUK door EVELYNE COUSSENS
 
'Hondstuk' is een stuk met een echo: pas achteraf kruipt het als een huivering langs je ruggengraat omhoog. Dat is in de eerste plaats de verdienste van Peter Perceval, die een sterke tekst leverde met meer dan één weerhaak. Actrice Sien Eggers, die met haar stotterend-naïeve acteerstijl durft te schmieren, weet in de regie van Stefan Perceval toon te houden. Het resultaat is een sober, beklemmend drama.
‘Woensdag is zoetekensdag’ bleirt Piet Huysentruyt vanuit de prominent aanwezige tv. Vloer en achterwand van de scène zijn bedekt met een patchwork aan dierenvachten. Een stem in crescendo komt van onder die vachten: ‘Moet je een koekske hebben? Een boterhammeke soms? Neen, eerst een chipke.’ Sien Eggers kruipt in <I>Hondstuk<I> in de huid van een hond, en bekijkt het mensenbedrijf met grote droeve ogen en met meer inzicht dan gezond,voor een hond.
‘Wilde gij mijne vriend zijn?’ Wanneer de moeder (eveneens Eggers) een verstoten hond uit het asiel haalt, komt ‘Beest’ in het vaderloze gezin terecht. Hij aanvaardt zijn baas onbevooroordeeld en onvoorwaardelijk. In zijn overgave tracht hij zelfs de wereld van zijn vriend te begrijpen, hoe vreemd die hem soms ook toeschijnt. Vooral de menselijke omgang met taal frappeert het dier. Praten kunnen die mensen wel, maar toch kennen ze elkaar niet – terwijl honden aan één stront genoeg hebben om de ander te doorgronden. ‘De mens, ge kunt daar niet aan uit’ verzucht Beest, losweg Walschap citerend. Het is niet zijn enige literaire referentie, want het dier heeft intussen leren lezen én schrijven. Net zoals z’n baas, die ervan droomt om schrijver te worden, maar niet verder geraakt dan een wit blad met ‘liefde’ op. Voor de rest staart hij met lege ogen uit het raam. Zal hij gaan vliegen, zoals zijn vader? Met het begrip ‘liefde’ is trouwens iets vreemds aan de hand. Wanneer de moeder niet dronken voor de tv ligt, lijkt ze haar zoon soms té graag te zien. Zwelt zijn vriend daarom zo op, gevuld door te veel liefde? Komt het door de pillen die zij hem geeft? Of vult hij zichzelf met eindeloos veel voedsel om volume in te nemen, zijn bestaan te bevestigen? Om niet meer onzichtbaar te zijn?
De tekst ontrolt zich met de allure van een psychologische thriller, inclusief ontluisterend einde. De naïeve blik van de hond, die de draagwijdte van wat hij onthult niet beseft, vergroot de vervreemding nog. Mensen kunnen slechter zijn dan dieren. Wanneer de hond uiteindelijk een spuitje vraagt, geven we hem volmondig gelijk.

Evelyne Coussens